<!– @page { margin: 2cm } P { margin-bottom: 0.21cm } A:link { so-language: zxx } –>
Eigenlijkzijn alle dingen net iets anders dan dat ze lijken te zijn. Het hangtaf van het gebruik van iets, of van de waarde die je aan iets hecht,wat het is, of hoe belangrijk het is. Het stuk metaal dat uit eenhouten plank steekt heeft voor veel mensen vrijwel niks te betekenen;vertel je ze echter dat het stuk hout hun voordeur is en het stukmetaal luistert naar de naam ‘deurknop’, dan is het al een stukoverzichtelijker. Desalniettemin, beide beschrijvingen kloppen, ookal is het een veel preciezer dan het ander. Hoewel, de compleetstebeschrijving zou natuurlijk zijn ‘de houten voordeur met ijzerenbeslag, die toegang verschaft tot het huis van mevrouw Janssen,tweede gele dwarsstraat 147-b in Zilthovenerbroek, een klein dorpjedat net buiten zicht van zowel Amsterdam als Den Haag ligt.
Hetwas op een gewone woensdagochtend dat ik de bewuste deur opendeed.Mevrouw Janssen, die er altijd nogal bits op toekeek dat ik haar naamook echt met twee keer een S schreef, had me gebeld. Of ik even langszou willen komen, er waren wat klusjes die gedaan moesten worden. Nouja, ik had die dag toch vrij, en als gezonde jongeman besloot ik haarte helpen. Het zou vast niet veel werk zijn, die paar klusjes.Misschien klemde er een raam of moest er een spin doodgeslagenworden.
Maar, zoals alle dingen net iets anders zijn, dan datje vaak denkt dat ze zijn, zo bleek ook hier de realiteit net wat afte wijken van wat ik in gedachten had.
‘Meneer’, begon de oude mevrouw methaar krakerige stem, ‘zou u zo goed willen zijn even voor me in deschuur te kijken? Ik denk dat u vast wel raad weet.’ Dat had zegedacht, ja.
Ik liep door het huis naar de schuur. Onderwegkwam ik door de huiskamer, waar de krant van de dag opengespreid optafel lag, naast een halflege bak koffie. Door de huiskamer kwam ikin de keuken. Er lag een kip op het aanrecht, klaar om gevild teworden. Mevrouw Janssen zal de enige vrouw in de weide omgeving vanZilthovenerbroek zijn die nog zelf een kip kan slachten en villen.
Ken je het gevoel, waarbij het lijktalsof de wereld stilstaat en een seconde gevat lijkt in deeeuwigheid? Dat is dan mooi, maar totaal niet wat ik beleefde. Op destenen vloer van de schuur lag een man op de vloer. Hij had grijshaar en droeg het soort pak dat mijn vader vroeger ook gedragen had,en daarom schatte ik hem ergens achter in de zeventig, voorin detachtig. Zijn ogen staarden naar het plafond, zijn mond hing eenbeetje open. Dat hij dood was kon ik ook al zien aan het mes dat inzijn borstkas stak.
‘Ehm, Mevrouw Janssen…?’, schreeuwdeik, aarzelend. Ik wou haar roepen, zodat ze dit uit kon leggen, maarde enige logische verklaring was dat zij hem vermoord had, God mogeweten waarom , en dat ik nu de enige getuige van dit feit was. Aan deandere kant, ze zou mij niet gebeld hebben om me vervolgens uit deweg te ruimen. Tenzij ze een soort psychopaat was natuurlijk. Iktwijfelde even. Wegrennen kon nog. Nee. Mevrouw Janssen stond alachter me. Verdraaid, wat was dat mens snel voor haar leeftijd.
‘Ja, meneer…. Piet, en ik, wij…ehm, er is een klein ongelukje gebeurd, ben ik bang.’
‘Dat zie ik. Heeft u de politiegebeld?’
‘Nee… ik denk niet dat die desituatie zouden begrijpen. Ik vrees dat het dan met mij slecht af zoulopen. Ziet u, het is wel mijn mes dat uit Piet zijn borstkas steekt.Maar ik wou hem helemaal niet doodmaken!’
‘Een mes in een man steken, zeker zo’ngroot mes, heeft meestal toch dat effect, mevrouw.’
‘Ja, dat snap ik ook wel. Brutaalsnotjong. Maar ik had Piet niet gezien. En ik was net bezig met dekip… hij liep op me af… grote mannen zoals hij moeten ook nietdoor de achterdeur binnenkomen… hij wou me omhelzen… zoals zovaak… nou ja, je ziet het zelf..’
Er stonden tranen in haarogen. Toch, ik weet tot op de dag van vandaag niet zeker of het echtzo gegaan is.
Maar ik begreep haar probleem. De politie zouhaar opsluiten. Dat zou voor mij ook nogal nadelig zijn. Ziet u, zegaf me vaak een fooi voor de klusjes die ik deed. En omdat ze oudwas, en geen idee meer had wat de waarde van een euro precies is, gafze nogal veel. Ik ben ooit drie weken naar Jamaica gegaan, wat ik inzijn geheel kon betalen uit de fooien die ze me gegeven had in datjaar. En omdat het weer daar net zo mooi is als de vrouwen gewillig,zou ik dat graag nog eens doen. En ach, mevrouw Janssen achtertralies… daar zou Piet heus niet beter van worden. En ik kende Piettoch niet. Oke, nu twijfel ik wel aan de juistheid van wat ik gedaanheb, maar op dat moment leek het me het beste.
Het zou nogaloneerlijk zijn om nu niet te vertellen wat ik dan precies gedaan heb,nietwaar.
‘Mevrouw Janssen, wat zou u nu gedaanhebben, als ik hier niet was?’
‘Och jongen, dat weet ik toch niet.Weggaan, ver weg gaan.’
Dat ik van haar niks meer mochtverwachten was duidelijk. Mevrouw Janssen was oprecht geschrokken,dus op iets constructiefs van haar zou ik lang kunnen wachten. ‘Weetu wat, zet u nog maar een kopje thee. Lekker warme citroenthee, danregel ik dit wel.’
‘Ja, maar, hoe’
‘Mevrouw Janssen, sommige dingen kunt ubeter maar niet weten. Gaat u maar naar binnen, ik kom wel weerterug. Maakt u zich vooral geen zorgen’. Mijn medelijden met haar wasvooral ingegeven door eigenbelang, maar soms gaat het niet om deintentie. In dit soort gevallen doet juist de uitvoering er dermatetoe, dat zelfs de slechtste bedoeling er door gerechtvaardigd zijn.
De achtertuintjes van de huizen waren klein, en aan deoverkant waren de tuinen van de achterburen, met daartussen enkel eensmal pad. Ik wist wat me te doen stond, de veiligste manier om vanhet lijk af te komen zonder sporen achter te laten. Ja, datberedeneerde ik zo. Er was een misdaad gepleegd, of een ongelukgebeurd, net hoe je het bekijkt. En ja, er was iemand strafbaar, maarwerkelijk niemand zou er beter van worden als de arme mevrouw Janssentussen de koelbloedige moordenaars achter tralies zou zitten. Was washet toch een schat van een vrouw, nee, dat kon echt niet.
Uitde keukenla pakte ik het grootste, scherpste mes dat ik kon vinden.Laat ik u de details besparen, misschien zit u net te eten, en kleinekinderen zouden dit verhaal ook kunnen lezen en daarmee op heleslechte ideeën kunnen komen. En omdat de meeste mensen gezegend zijnmet een zieke geest, zal al duidelijk zijn wat ik gedaan heb.
Nadatde daad gedaan was, lag er geen meneer Piet meer op de stenen vloervan de schuur, maar vier schoenendozen en twee vuilniszakken. Dat zalgenoeg informatie zijn voor de meesten. Mocht u hier nou niks vanbegrijpen, weet dan dat u een van de weinige echt zuivere mensenbent, van het soort dat nog gevrijwaard is van elke vorm vankwaadaardigheid. Vraagt u dan ook niet om uitleg bij deze passage,het zou u alleen maar bederven.
De familie Slotemaker, dieschuin achter mevrouw Janssen een huis bezat, hield er een paarhonden op na. Geen lieve schoothonden of goedaardige Duitse Herders,maar een vijftal grote zwarte honden die ontstaan moesten zijn uiteen onfortuinlijke kruising tussen een Dobermann en een Bulldog. Hetwaren geen lieve beestjes. Grote ronde koppen met scherpe tanden inhun bek. De beesten keken je aan alsof ze je levend kondenverscheuren, het kwijl sijpelend uit hun grote bek.
Dieavond, vlak voor het echt donker werd, kregen de beesten hunfeestmaal. Voor vijf honden was het goed te doen. De honden warenaltijd buiten, tussen de vier schuttingen van de tuin. Ik hoefdealleen maar de vuilniszakken en dozen over de schutting te gooien, dehonden deden de rest. De familie Slotemakers merkte er niks van. Hijwas nog aan het werk, zij was de kinderen ophalen van school, en dehonden waren in een minuut of tien klaar.
*
Het was een mooie dag injuni. Sofie, de dochter van Wim Slotemaker, had zomervakantie. Inhaar eerste jaar op de basisschool was ze vaak te vinden in de enormezandbak van basisschool ‘Het Kladje’ in Zilthovenerbroek. Graven,zandkasteeltjes bouwen, zandkoekjes bakken, het was allemaalprachtig. Op die leeftijd is nu eenmaal het leven nog zo simpel.
Vandaag had ze vaders schop gevonden in het kleine schuurtjeachterop de tuin, naast het hondenhok. De meeste mensen waren bangvoor de honden trouwens, maar Sofie niet. Vanaf de eerste dag die zeop deze aardkloot doorbracht had ze die beesten om zich heen. Ze wistniet beter. De honden gehoorzaamden haar gebrabbel zonderuitzondering, terwijl volwassen mannen wanhopig probeerden de beestenin het gareel te krijgen. ‘Kalmte’, zei Wim vaak, ‘dat is de redendat Sofie die beesten de baas is. Een hond moet nooit denken dat jebang voor hem bent, maar Sofie is ook echt totaal niet bang.’
Deschop was natuurlijk veel te groot voor haar. Toch, met veel moeite,groef ze een aardig gat in de grond. Dat papa dat niet leuk zouvinden wist ze wel, maar haar enthousiastie won het zoals altijd vande angst voor straf.
Het gat was net zo diep als dat hetkleine meisje hoog was. Dieper durfde ze niet. Nee, niet omdat ze eensoort omgekeerde hoogtevrees had, of omdat het nu wel genoeg geweestwas.
De honden begroeven altijd vanalles. Ballen, stokken,gevonden stukken hout, voerbakken, alles. En botten natuurlijk.
‘Papa!’, schreeuwde Sofie zohard ze kon, want dit begreep ze niet, en schreeuwen was dan altijdhet beste. Wim kwam aangerend. Hij minderde vaart toen hij zag datSofie in elk geval niet in levensgevaar was.
‘Ja, lieve Sofie, wat iser?’, vroeg hij tussen twee slokken van zijn zomerse biertje door.
‘Kijk!’
Ze stond naast de put die zegegraven had. Triomfantelijk wees het meisje naar de bodem. ‘Kijk!’